De droogmaking van de Zuidplas

Droogmakerijen

De eerste kleinere meren en plassen in het Hollandse veengebied werden al vanaf de zestiende eeuw weer drooggelegd. Het water uit dergelijke droogmakerijen werd daartoe via watermolens eerst in een ringvaart uitgeslagen en van daaruit in het buitenwater gespuid. Maar de grootste en meest bedreigende watermassa’s, het merengebied ten westen van Gouda en de Haarlemmermeer, kon men pas in de negentiende eeuw aanpakken, met name doordat er naast de wind ook krachtige stoomgemalen beschikbaar waren gekomen.

Droogmakerijen in de Zuidplas

Eerste fase: de Bleiswijkse Droogmakerij

De meren ten westen van Gouda zijn tussen 1765 en 1873 in drie fasen drooggemalen. De eerste fase vormde de Bleiswijkse Droogmakerij met een oppervlakte van ruim 36 km2, die tussen 1765 en 1784 op een tamelijk voortvarende wijze tot stand kwam. Bij deze droogmaking werd nog uitsluitend van windkracht gebruik gemaakt.

Tweede fase: de droogmaking van de Zuidplas

Minder voortvarend verliep de droogmaking van de tweede fase, de Zuidplas nabij Gouda die met ongeveer 40 km2 het grootste deel van het westelijke merencomplex vormde. In 1828 begon, op initiatief van koning Willem I, het werk met het aanleggen van de Ringdijk en de Ringvaart om het gehele plassencomplex heen. Daarbij ontstonden veel problemen door verzakkingen, gebrek aan geld vanwege de opstand in België en onwillige aannemers. Pas in 1836 werd gestart met het droogmalen. Dit was de eerste droogmakerij in Nederland waar behalve windwatermolens ook stoommachines werden ingezet. De bemaling vond plaats door dertig molens (negen in Waddinxveen en eenentwintig bij de Stille Sluis in Moordrecht), ondersteund door twee stoomgemalen. Het water werd in vier trappen uitgeslagen, eerst vanuit het polderniveau op een benedenboezem, vervolgens op de Ringvaart en tenslotte op een lage en een hoge boezem nabij de Stille Sluis in Moordrecht. Vandaaruit werd het op open water gespuid bij eb op de Hollandsche IJssel.

Molens aan de Stille Sluis

Verkaveling

De Zuidplas viel in 1839 droog. De polder werd volgens een rechthoekig stelsel van tochten en sloten ingericht, gebaseerd op de as tussen de kerktorens van Moordrecht en Moerkapelle. De Moordrechtse Tiendeweg, die bij de vervening verloren was gegaan, werd weer gedeeltelijk gereconstrueerd. In 1840 was het werk voltooid. Nadat de gronden waren drooggevallen werden ze verkaveld en ingezaaid. De eerste bezaaiing bestond uit gerst, haver, winterrogge en koolzaad.  Dit was een kritische periode in verband met de kans op ‘polderkoorts’ of ‘moeraskoorts’ (malaria), een gevreesde ziekte met periodiek optredende koortsaanvallen die epidemische vormen kon aannemen.

Slechte organisatie

Maar deze droogmaking droeg kennelijk geen zegen. Door de slechte organisatie bij de uitgifte van de gronden raakten de eerste pioniers in ernstige moeilijkheden en gingen de meesten van hen zelfs failliet. Maar hun opvolgers hebben hier uiteindelijk een redelijk bestaan gehad. De gereconstrueerde Moordrechtse Tiendeweg is na het graven van het Gouwekanaal in 1932 opgeknipt in een Eerste en een Tweede Moordrechtse Tiendeweg.

Derde fase: de Prins Alexanderpolder

De derde en laatste fase van de droogmaking vormde de Prins Alexander­polder, aansluitend op de Zuidplaspolder, richting Rotterdam. De polder had een oppervlakte van 27 km2. Dit werk vond uitsluitend met toepassing van stoomkracht plaats. De plannen daartoe werden gemaakt in 1843, het werk kwam gereed in 1873.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.