De bouwgeschiedenis

Het begin: een hofkapel

Al heel vroeg in de geschiedenis van Gouda werd hier een kerkje gesticht. Het was de huiskapel van de heren Van der Goude, van wie de ridderhof direct ten zuiden van de huidige Sint-Janskerk lag. Deze versterking bij de Gouwemonding bestond uit een hofstede, waaraan al gauw een heuvelburcht (een zogenaamde motte met een ringgracht), een voorhofstede en een kapel werden toegevoegd. Verder waren hier één of meer boomgaarden, waarschijnlijk ook een wed (een drinkplaats voor het vee) en bezittingen op groter afstand, zoals een zwanendrift en het Goudse Bos. Dit eerste kerkje lag op de plaats van de huidige drie westelijke traveeën van de middenbeuk van de Sint-Janskerk.

De kerkring

Deze eerste kapel was, net als de ten zuiden daarvan gelegen motte, omgeven door water, een zogeheten ‘kerkring’. Kerkringen komt men nu nog tegen in de noordelijke provincies en in Zeeland. De meeste zijn echter gedempt. Zo ook in Gouda.

De kerkring en het water rond de Motte

De kerkring en het water rond de motte

Toch valt aan de bebouwing rond de huidige kerktoren nog te reconstrueren waar dit watertje gelegen heeft. Men ziet dat tegen de huizen rond de toren diverse extra bouwsels van 2 tot 3 meter zijn gemaakt. Ze plakken tegen de achtergevels van de winkels in de Wijdstraat. Deze bouwsels staan precies op de plek waar eerst water was. Trekt men de cirkel door dan moet het water als het ware onder de kerk doorgaan, een stukje oostwaarts van de toren. Bij restauratiewerkzaamheden tussen de twee wereldoorlogen heeft men inderdaad in de fundering een soort brugconstructie teruggevonden.

Het uiterlijk van de hofkapel

Korte tijd vóór 1278 kreeg de kapel de functie van parochiekerk, gewijd aan Johannes de Doper. Over de oudste versie van dit kerkje is niets met zekerheid bekend. Het zal een zaalkerk met een enkele beuk zijn geweest. Het gebouw is, gegeven de opgravingen tijdens de restauraties, ongeveer 14 meter breed geweest en, de maat van de ringgracht in aanmerking genomen, hooguit een meter of twintig lang. Misschien bezat dit bouwwerk een klokkentoren, maar daarvan zijn geen restanten bewaard gebleven. In ieder geval komt in die tijd een westtoren, zoals die later in onze  streken bijna traditioneel is geworden, nog nauwelijks voor.

Een eerste uitbreiding

Al in het begin van de veertiende eeuw was de bevolking van de stad zodanig in omvang toegenomen, dat de oorspronkelijke Sint-Jan voor alle kerkgangers te klein was geworden. Daarom werden er aan de kapel twee zijbeuken toegevoegd. De oude zijmuren werden vervangen door colonnades met een traveebreedte die half zo groot was als de huidige. Wellicht ook werd er aan de oude kerk een koor met een beperkte lengte en breedte toegevoegd. Het resultaat was een vrijwel vierkant gebouw van ongeveer dertig bij dertig meter. Ook over deze tweede versie van de Sint-Jan weten wij niets met zekerheid. Het zal een vertegenwoordiger zijn geweest van de kust-gotiek, een baksteen-stijl die zich in deze streken onder invloed van Vlaanderen met enige terughoudendheid ontwikkelde uit de romaanse bouwkunst. Het is aannemelijk dat het een pseudo-basiliek betrof, een voor die tijd gangbaar kerktype waarvan de beide zijbeuken lager zijn dan de middenbeuk, en daarop aansluiten met een half zadeldak. In 1315 stond hierin het Maria-altaar van de volders. Omstreeks 1350 werd aan het kerkgebouw een westtoren toegevoegd, waarvan delen van de onderste geleding nog bestaan.

Een tweede uitbreiding

In 1361 woedde in Gouda de beruchte stadsbrand die grote delen van de stad in de as legde. Bij die brand raakte ook de kerk betrokken. Het ernstig beschadigde gebouw werd provisorisch hersteld, zodat al in 1366 de Sint-Jan opnieuw gewijd werd en weer in gebruik kon worden genomen. Intussen hadden de kerkmeesteren het plan opgevat om het kerkgebouw naar het oosten aanzienlijk uit te breiden. Dit zou ten koste moeten gaan van het bestaande kerkhof. Daartoe verwierf de kerk in 1375 een aantal percelen ter plaatse van het huidige koor, met het doel hier een nieuw kerkhof aan te leggen. Omstreeks 1390 is men met de uitbreiding begonnen. Tegen het bestaande gebouw werd een nieuw driebeukig koor gebouwd. Het is zonder twijfel een hallenkoor geweest: een koor waarvan de drie beuken even hoog waren, en ieder met een zadeldak afgedekt. Het koor had een driezijdige sluiting met topgevels. De uitbreiding reikte tot in het midden van het huidige dwarsschip. De bestaande kerk ondervond nauwelijks hinder van het bouwen; de missen konden hierin gewoon doorgaan. Het nieuwe koor was omstreeks 1404 gereed.

De verbouwing tot hallenkerk

Maar de oude hofkapel was, mede door de stadsbrand van 1361, uiterst bouwvallig geworden. Tussen 1404 en 1413 werd het oude kerkgebouw daarom vervangen door een nieuw schip, aansluitend op het nieuwe koor. Het schip had drie beuken die alle even hoog waren. De gehele kerk was dus nu een hallenkerk geworden. In 1413 werden de nieuwe kerk en het nieuwe kerkhof gewijd. Intussen was ook de westtoren verhoogd met een tweede en derde geleding. Maar al In 1438 brak er een tweede stadsbrand uit, waarvan volgens overlevering slechts drie huizen gespaard bleven. De schade aan de kerk bleef, wonder boven wonder, betrekkelijk beperkt; de reparatie duurde slechts vijf jaar en er werden aan het gebouw geen ingrijpende wijzigingen doorgevoerd, zodat de kerk in 1443 opnieuw gewijd kon worden. Daarna bleef er even rust bestaan rond de nieuwe Sint-Janskerk.

De uitbreiding tot de grootste kerk van Nederland

Maar de rust duurde niet lang. Tussen 1475 en 1510 werd de kerk opnieuw ingrijpend uitgebreid. Van 1475 tot 1485 voegde men aan iedere kant van het driebeukige schip een extra zijbeuk toe. De nieuwe beuken waren zo hoog als de drie andere, zodat er nu een vijfbeukige hallenkerk was ontstaan met de enorme breedte van 47 meter. Ook de nieuwe zijbeuken werden afgedekt met een zadeldak, zodat er vanuit de lage zijramen maar weinig licht in dit grote gebouw kon doordringen. Al meteen nadat de zijbeuken gereed waren gekomen, werd aan het bestaande gebouw een nieuw transept en een koor met kooromgang toegevoegd, waarmee de plattegrond van de huidige Sint-Janskerk ontstond. Het was (en is nog steeds) met z’n ruim 123 meter de langste, en door z’n enorme breedte ook de grootste kerk van Nederland. Het nieuwe koor was basilicaal, een bouwvorm waarbij de middenbeuk boven de kooromgang uitsteekt en ramen heeft. Het nieuwe transept kreeg dezelfde hoogte als de middenbeuk in het koor. Inmiddels had bij de bouw van de grotere stadskerken in het westen van het land de kust-gotiek plaats gemaakt voor de Brabantse gotiek, een regionale bouwstijl met veel meer aspiraties, onder andere gekenmerkt door de toepassing van natuursteen. Karakteristiek voor de Brabantse gotiek zijn de zogenaamde koolblad-kapitelen. De traveeën van het nieuwe koor waren bijna twee maal zo breed als die van het schip, waardoor het koor een bijzondere ruimtewerking kreeg. Het transept en het koor zijn sindsdien vrijwel ongewijzigd gebleven. In 1510 vond de wijding plaats. Het luxe karakter van het nieuwe kerkdeel kwam vooral tot uiting door de plaatsing, al vanaf 1487, van gebrandschilderd glas. Ook bracht men beelden in de kerk aan.

De bouw van de grote zijkapellen

De in 1475 gestarte bouwcampagne was daarmee nog lang niet gereed. Van 1510 tot omstreeks 1543 werden de buitenste zijbeuken omgebouwd tot zijkapellen met topgevels en grote ramen, zodat er veel meer licht in de kerk kon toetreden. Dit werk werd waarschijnlijk geleid door ene Clemens van der Goude, een bouwmeester die ook buiten de stad grote bekendheid genoot. De zijkapellen kregen een traveemaat die dubbel zo breed was als de bestaande. Daartoe vervielen om en om de zuilen in de zuilenrij tussen de buitenste en de binnenste zijbeuken. De eerste zes westelijke traveeën in de ‘voorkerk’, bleven nog in de oude staat, en ook de daarin staande kolommen bleven de oude traveemaat behouden. 

De herbouw na de grote brand van 1552

Op 12 januari 1552 sloeg de bliksem in de toren, waardoor zich een grote ramp voltrok. De Sint-Jan viel grotendeels aan een brand ten prooi. Het dak van de gehele kerk werd verwoest, met uitzondering van de eerste traveeën. Vrijwel alle kolommen in het middenschip vielen om. Alleen het transept en het koor bleven nog enigszins ongeschonden. Voor de herbouw werd meester Cornelis Fredericksz van der Goude aangesteld, die al op verschillende plaatsen in het land van zijn vakmanschap had blijk gegeven. Al in hetzelfde jaar werd de toren hersteld en voorzien van een bekroning die beduidend rijker was dan de huidige bekroning. Meester Cornelis Fredericksz zette het architectonische concept van het koor over de totale kerk door. Hij verdubbelde de traveemaat in het gehele schip, waardoor een weidse ruimte ontstond, waarin het licht vanuit de ramen in de zijkapellen nog verder in het schip kon doordringen. Inmiddels herstelde hij ook het koor en het transept. In 1573, na 21 jaar bouwen, was de nieuwe Sint-Jan letterlijk uit z’n as herrezen. Al in 1555 werd het eerste nieuwe gebrandschilderde glas, glas nr. 15, ‘De doop van Jezus door Johannes’ van Dirck Crabeth geplaatst. 

De definitieve verbouwing tot een basiliek

Intussen koesterden de kerkmeesteren al jarenlang een droom. Zij wensten de lichtbeuk in het koor ook door te zetten over het gehele schip, zodat de Sint-Jan een complete basiliek zou worden. Tot lang in de twintigste eeuw heeft men gedacht dat meteen met de herbouw na de grote brand van 1552 ook deze wens van het kerkbestuur in vervulling is gegaan. Maar in het begin van de Tachtigjarige Oorlog ontbrak het politieke klimaat en ook het geld om een dergelijke onderneming van start te laten gaan. Bij zijn bestudering van de bouwgeschiedenis van de Sint-Jan ontdekte Han Breedveld in 1964 dat pas in 1590 de wens van de kerkmeesters verwezenlijkt kon worden. In dat jaar werd het Maria-Magdalenaklooster afgebroken, zodat de kap van de kapel uit 1489 ter beschikking kwam. Ook de stenen van het klooster konden worden hergebruikt voor het opmetselen van de middenbeuk van de Sint-Jan. Het werk kwam omstreeks 1592 gereed, en pas in dat jaar waren het ex- en interieur van het lichaam van de Sint-Janskerk zoals we die nu kennen. De consequentie van de verhoging van de middenbeuk was wel, dat de toren nu vrijwel in het kerklichaam verloren ging. Daarom werd van 1603 tot 1606 de toren met een vierde geleding verhoogd en voorzien van een nieuwe bekroning. Reeds omstreeks 1660 werd deze bekroning vervangen door de huidige.

Wilt u meer weten over de Goudse Glazen? Lees dan hier

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *