Gouwe

Zo’n duizend jaar geleden was de Gouwe één van de vele kreken in het Hollandveen, een gebied met dikke veenkussens dat zich uitstrekte van achter de duinen tot in Utrecht toe. Deze veenbeek ontsprong ten westen van het huidige Boskoop, nam vervolgens ten zuiden van het huidige Waddinxveen een zijriviertje, de Piclede op, en zocht tenslotte al kronkelend zijn weg naar de Hollandsche IJssel. Het is aan de monding van deze Gouwe dat Gouda ontstond.

131_3135

Door zijn aanvankelijk geringe watervoering heeft dit stroompje vóór de ontginning van het Hollandveen voortdurend zijn loop verlegd. Zo bleven er verschillende oude beddingen achter. De structuur van het oude Gouda wordt in belangrijke mate bepaald door de diverse beddingen die in de loop der tijd door de Gouwe werden gevormd. De gebogen noordwand van de Markt vindt waarschijnlijk zijn oorsprong in een oude Gouweloop. En we vinden diverse andere lijnen in de binnenstad van Gouda die ontleend lijken te zijn aan een inmiddels geheel of gedeeltelijk verdwenen loop van dit bochtige riviertje. Ook buiten de oude stad zijn restanten van een vroegere Gouweloop te vinden. Zo is de Omloopwetering een oude bedding van de Gouwe, die in deze omgeving ook Ouwe Gouwe wordt genoemd. Tijdens de stadswording boog de Gouwe niet af naar de Haven, maar stroomde deze rechtdoor, langs Achter de Kerk, via de ringgracht rond de Motte en langs de Spieringstraat naar de Hollandsche IJssel. De Haven, met daarin de Donkere Sluis, is een omstreeks 1250 gegraven kortsluiting tussen de Gouwe en de Hollandsche IJssel. De Onderdoorgang onder de Dubbele Buurt is dus ook een oorspronkelijke Gouweloop.

Hollandveen en ontwatering

Het Hollandveen werd vanaf ongeveer het jaar 1000 ontgonnen nadat daartoe concessies waren verleend, eerst door de bisschop van Utrecht en later ook door de graaf van Holland. De ontginning van het Hollandveen vond vanuit twee richtingen plaats, eerst vanuit de Oude Rijn, later vanuit de Hollandsche IJssel. Nog later werd ook haaks daarop, vanuit de Gouwe ontgonnen. De Gouwe en derhalve ook Gouda lagen ongeveer op de grens van de Hollandse en de Utrechtse concessies.

In de aanvang waterden de pas ontgonnen gebieden af op de Oude Rijn. Om deze rivier daarvoor nog meer geschikt te maken, werd deze in 1122 op last van de bisschop van Utrecht bij Wijk bij Duurstede afgedamd. Maar deze maatregel pakte volstrekt verkeerd uit. De verminderde watervoering maakte de monding van de rivier zodanig kwetsbaar dat deze, door zandverplaatsingen langs de kust tijdens de Sint-Thomasvloed van 1163, bij Katwijk verzandde. Om de ontstane wateroverlast op te lossen werden drie weteringen naar het merencomplex ten noorden van Leiden gegraven, waaronder de Heimanswetering. Van daaruit werd het water uit de ontginningen via het Spaarne en het IJ op de Zuiderzee geloosd. Nadat vervolgens rond 1220 de Gouwe werd doorgegraven vanaf de oorsprong bij Boskoop naar de Oude Rijn, was  de ontwatering van het gehele gebied tussen de Hollandsche IJssel en de Oude Rijn, althans voorlopig, redelijk goed geregeld. Maar het voortdurende dalen van de bodem en, later, het verlies van boezemareaal door het droogleggen van de veenmeren bleef leiden tot wateroverlast. Ook de bouw van zware gemalen in de 19e en 20e eeuw heeft dit probleem niet opgelost. Zelfs is nu de bodem zóver gedaald, dat het voortbestaan van de historische stad gevaar loopt.

Handelsvervoer over de Gouwe

Door het graven, aan het eind van de 12e eeuw, van de weteringen tussen de Oude Rijn en het merengebied tussen Leiden en Haarlem, en door het doorgraven van de Gouwe naar de Oude Rijn in 1220 ontstond tevens de ‘doorvaert binnen dunen‘, een vaarweg tussen de Hollandsche IJssel en de Zuiderzee. In korte tijd ontwikkelde deze zich tot een uiterst belangrijke handelsroute tussen Vlaanderen en de Hanzesteden in Noord-Duitsland. Tot aan het midden van de vorige eeuw heeft Gouda van zijn unieke positie op deze handelsroute geprofiteerd.

Tot het midden van de 20e eeuw vond vrijwel al het vervoer over het water plaats. Daarbij werd vooral gebruik gemaakt van bezeilde beurtschepen zoals tjalken, aken, klippers en schoeners. Naar de kleur van de zeilen wordt dit de ‘Bruine Vloot’ genoemd. Dergelijke zeilschepen vereisten vaarwater met voldoende breedte en met zo weinig mogelijk hinderlijke obstakels als sluizen en bruggen. Als het vaarwater te smal was, moest het schip worden getrokken of gesleept.

De beroepsvaart maakte een grote maar geleidelijke ontwikkeling door. Na de eerste vaart van het stoomschip ‘de Nederlander’ in 1823 begon in de tweede helft van de 19e eeuw de stoomvaart de rol van de zeilvaart over te nemen. De stoommachines werden steeds efficiënter, zodat parallel daaraan de tonnage van de schepen kon toenemen. Behalve rederijen voor goederenvervoer werden er ook verschillende sleepbootondernemingen opgericht, zoals de Goudse stoomsleperij van Pannevis.

De stoomvaart bleef echter een arbeidsintensieve activiteit, zodat tussen de beide Wereldoorlogen de vaart met dieselmotoren veld won. Vanaf 1960 was de beroepsvaart volledig overgenomen door motorschepen. In die tijd had de N.V. P.J. Endenburg aan de Veerstal een vloot van twaalf rijnaken, waarop een bemanning van schipper, schippersvrouw en hooguit een enkele schippersknecht volstond. Tegenwoordig worden de zeil- en stoomvaart alleen nog door liefhebbers beoefend.

Personenvervoer over de Gouwe

Vanaf het midden van de 17e eeuw vervulde het water rond Gouda naast de functie van handelsroute ook een essentiële rol in het openbare vervoer. Gedurende meer dan twee eeuwen was de trekvaart de enige vorm van openbaar vervoer in ons land. De route over de Gouwe en het nieuw gegraven Aarkanaal was één van de twee noord-zuid-routes door Holland. Daartoe werden langs deze vaarwegen jaagpaden aangelegd, waarop zelfs tol werd geheven. De rol van de trekvaart werd in de loop van de 19e eeuw overgenomen door de stoomvaartdiensten, waarvan de diensten op Leiden en Boskoop de Gouwe bevoeren.

Zo was Gouda gedurende eeuwen een knooppunt in het handels- en personenvervoer in ons land. En dat is in feite nog steeds het geval, sinds de rol van de stoomvaartdiensten is overgenomen door het spoor.

Nieuwe Gouwe

Door de eeuwenlange aanpassingen aan de scheepvaart heeft deze nu gekanaliseerde rivier zijn huidige karakter gekregen. De Gouwe werd verschillende malen uitgediept en verbreed. Tussen 1898 en 1903 werd bovendien met het graven van de Nieuwe Gouwe een aantal bochten in de rivier afgesneden, waardoor de scheepvaartroute vanaf de Hollandsche IJssel richting Waddinxveen, Boskoop en Alphen aan den Rijn flink werd bekort. Het afgesneden deel van de oorspronkelijke loop wordt sindsdien de Kromme Gouwe genoemd, waaraan in de dertiger jaren van de 20e eeuw het bedrijvenpark met dezelfde naam werd gesticht.

Gouwe2W

De Nieuwe Gouwe, naar het westen gezien vanaf de Steve Bikobrug. Even verderop vloeien Kromme Gouwe en Nieuwe Gouwe samen.

Gouwekanaal en Stroomkanaal

Tot 1936 vond de vaart door Gouda uitsluitend plaats via de Nieuwe Gouwe en vervolgens de Haven met de Donkere Sluis, of de Turfsingel met de Mallegatsluis. Maar deze routes waren al lang te omslachtig en te tijdrovend. Daarom besloot de provincie in 1932 tot het graven van een nieuwe verbinding van de Gouwe met de Hollandsche IJssel, geheel buiten de stad om. Zo ontstond het Gouwekanaal, met daarin een nieuwe sluis, de Julianasluis.

KrommeGouwe4

Een kaartje met de loop van de Kromme Gouwe, de Nieuwe Gouwe en het Gouwekanaal, met het bedrijvenpark Kromme Gouwe.

Gelijktijdig werd het Stroomkanaal gegraven met daarin het Mr. P.A. Pijnacker Hordijkgemaal, teneinde de wateroverlast en de problemen met de waterkwaliteit in het achterland op te lossen. Het nieuwe Gouwekanaal, het Stroomkanaal en de Hollandsche IJssel omsluiten het Sluiseiland.

Al deze aanpassingen van de loop van de Gouwe hebben ernstige versnijdingen teweeggebracht van het landschap ten westen van Gouda, culminerend in de ‘Gouweknoop’: een bijkans onontwarbare kluwen van Gouwelopen, de rijkswegen A12 en A20 met hun op- en afritten en de spoorbanen naar Rotterdam, Den Haag en Alphen aan den Rijn.

Alpherium en verdubbeling Julianasluis

In 2010 werd in Alphen aan den Rijn het Alpherium geopend, een containerterminal die ontsloten is vanaf het water van de Gouwe. Het is de grootste inland containerterminal van Nederland. De komst van het Alpherium zorgt jaarlijks voor een vermindering van honderdduizend vrachtautobewegingen ofwel zes miljoen vrachtwagenkilometers op de drukke snelwegen in de Randstad, met name de A4, A13, A15 en A20. Een binnenvaartschip is bovendien ongeveer drie maal energie-efficiënter dan een vrachtauto die hetzelfde vervoert. Dat alles levert een reductie op de CO2-uitstoot van 35 procent. De vermindering van de vrachtautobewegingen op de weg heeft echter wel een vermeerdering van de beroepsvaart op de Gouwe, het Gouwekanaal en de Hollandsche IJssel tot gevolg. Dagelijks worden op het Alpherium circa 200 containers overgeslagen. De terminal is goed voor vier à vijf scheepsbewegingen per dag met zeer grote  binnenschepen. Al deze containerschepen passeren de Julianasluis.

Gouwekanaal

Het Gouwekanaal naar het noorden

In 2014 werd dan ook de Julianasluis voorzien van een tweede, bredere sluiskolk, voor schepen tot 2.000 ton. De nieuwe schutkolk is twee meter breder dan de bestaande. De werken aan de Julianasluis werden gecombineerd met de aanleg van de Zuidwestelijke Randweg met de imposante Gouderaksebrug over de Hollandsche IJssel.

Op de Gouwe en de Hollandsche IJssel is met de ingebruikname van het Alpherium en met de verdubbeling van de Julianasluis de zware containervaart sterk toegenomen. Daarmee is de beroepsvaart, door de heftige boeggolven en het zware zog van deze grote schepen, een gevaar geworden voor de kleine pleziervaart. De provincie beraadt zich op dit probleem en zoekt naar alternatieven voor de recreatievaart.

Lees verder over de gebouwen langs de Gouwe

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *