Het Stadhuis (vervolg)

Voorlopers

In 1395 kocht het stadsbestuur van Gouda het marktveld van de familie Van der Goude om daar een stadhuis te bouwen. Toch zou het nog tot 1448 duren voordat met de bouw werd begonnen. Volgens de stadshistoricus Ignatius Walvis was de gebrekkige financiële positie van de stad de oorzaak van het voortdurende uitstel.  En dat zou kunnen. Bij de grote stadsbrand van 1438 ging vrijwel de gehele stad, voornamelijk uit houtbouw bestaande, in vlammen op. Ook het toenmalige stadhuis liep zware schade op. Volgens Walvis heeft dit aan de Gouwe gestaan, op de plaats van de latere brouwerij de Zwaan. Anderen situeren echter de voorloper van het huidige Stadhuis vanaf 1395 aan het marktveld, even ten noorden van het vroegere politiebureau op de Markt. Mogelijk heeft dit stadhuis nog een voorganger gehad in een hal in de zuidpunt van de Markt.

Keldermans

Het vijftiende-eeuwse Goudse Stadhuis is een van de oudste gotische stadhuizen van Nederland. Het is een product van het uit Mechelen afkomstige bouwmeestergeslacht Keldermans, die in de stijl van de Brabantse gotiek bouwden. De zeven generaties Keldermans zijn verantwoordelijk voor het ontwerp van enkele kerken en verscheidene stadhuizen in België en Nederland, waaronder die te Leuven, Tholen, Middelburg, Gent en Zoutleeuw. Waarschijnlijk is het ontwerp van het Goudse Stadhuis van Jan II Keldermans, maar na diens dood in 1445 werd de uitvoering van het werk overgenomen door zijn zoon Jan III.

De bouw

De bouw ging in 1448 van start met het aanleggen van een ‘drijvend’ rooster van zware eiken balken. Hierop werden de muren opgetrokken uit Belgische kalksteen. In 1459 was de bouw voltooid, al was het Stadhuis al in 1450 in gebruik genomen. Volgens de geschiedschrijver Walvis werd het Stadhuis tot 1603 omgeven door water en zou het door middel van een valbrug bereikbaar zijn geweest.

Verbouwingen

Het bleek niet een buitengewoon duurzaam gebouw te zijn. In 1497 werd het Stadhuis opgeknapt ter gelegenheid van het bezoek van Filips de Schone aan de stad. Reeds in 1514 stond het gewelf van de achterste kelder, die dienst deed als vleeshal, op instorten. Dit had drie jaar later een ingrijpende verbouwing tot gevolg waarbij een nieuw gewelf werd aangebracht, dat ruim een meter hoger lag dan het oorspronkelijke gewelf. De ‘prijs’ die hiervoor moest worden betaald, was een ‘gebroken’ vensterreeks in de zijgevels. In 1603 werd het huidige bordes in renaissancestijl vervaardigd door de uit de omgeving van Freiburg afkomstige stadsbeeldhouwer Gregorius Cool.

Schavot

In de periode 1692-1697 vond er opnieuw een ingrijpende verbouwing plaats. In die periode werd ook het huidige schavot toegevoegd aan de achterzijde van het Stadhuis. Vóór die tijd bestond er al een schavot, dat voor het eerst in 1525 wordt genoemd. Het nieuwe schavot was te beklimmen via een houten trap aan de buitenzijde. Het was de veroordeelden namelijk niet toegestaan om hun dood via de binnenzijde van het gebouw tegemoet te lopen. Sinds 24 april 1897 is het schavot toch ook vanaf de binnenzijde te benaderen. Op die datum bracht de jonge koningin Wilhelmina een bezoek aan de stad. Om haar in de gelegenheid te stellen om vanaf het schavot de bevolking toe te zwaaien werd een van de ramen vervangen door een paar openslaande deuren.

Restauraties

De laatste restauratie vond plaats in 1996, waarbij in feite sprake was van een grondige onderhoudsbeurt. Ingrijpender was de restauratie in de periode 1946-1952. Daarbij werd de oude, houten fundering vervangen door solide heiwerk. Ook het uiterlijk, met name de voorgevel, onderging toen veranderingen die echter later in vakkringen nogal zijn bekritiseerd. Die restauratie vond plaats onder leiding van architect Ad van der Steur. Burgemeester K.F.O. James was hier ook nauw bij betrokken. Daarvan getuigen de afbeeldingen in reliëf van de burgemeester en de architect op twee sluitstenen boven het kelderdeurtje in de westgevel. Maar in feite was de toenmalige restauratie van het Stadhuis een zaak waarbij de gehele Goudse bevolking zich betrokken voelde. De jeugd bracht daarvoor iedere maandagochtend een cent mee naar school. Dat werd nauwkeurig in een schriftje bijgehouden door de leerkrachten. Wie onderweg zijn cent versnoept had, kreeg daarover een brief mee naar huis. In feite heeft in die magere tijd, zo vlak na de oorlog, iedere Gouwenaar wel een paar centjes aan de restauratie bijgedragen. Ook zijn ze hier bijna allemaal in het huwelijk getreden in de unieke trouwzaal. Dat zijn redenen waarom het Stadhuis in ieder Gouds hart zo’n grote plaats inneemt.

Beelden

De beelden in de voorgevel van het Stadhuis zijn niet oud. Ze zijn pas in 1960/1961 geplaatst. Op de onderste rij staan Karel de Stoute, Filips de Goede, Filips de Schone en Maria van Bourgondië. Daarboven bevinden zich de beeltenissen van Floris V en Jacoba van Beieren. En helemaal bovenaan hangen twee engeltjes. Al voor 1695 heeft er ten minste één beeld in een nis aan de voorgevel gestaan. Uit oude stadsrekeningen valt op te maken dat in de andere nissen wellicht de beelden van Karel de Stoute en zijn gemalin hebben gestaan, en misschien ook wel die van Filips de Goede en zijn gemalin. Vanaf 1695 prijkten er aan de voorgevel van het Stadhuis twee andere beelden. Het waren vrouwenfiguren, die een symbool waren voor Wijsheid (in die tijd ook wel Voorzichtigheid) en Standvastigheid. Deze beelden zijn gemaakt door de beeldhouwer Jan Gijselingh jr. In 1882 werden ze verwijderd. De beelden werden geschonken aan het Goudse museum, dat ze een tijdlang heeft uitgeleend aan het Kantongerecht. Inmiddels zijn de beide beelden verplaatst naar de Museumtuin.

Interieur

Het interieur stamt deels nog uit de zeventiende en achttiende eeuw. De wandtapijten in de trouwzaal zijn vervaardigd door de Goudse tapijtwerker David Ruffelaer, een zoon van Jan Ruffelaer, een uit Oudenaarde afkomstige tapijtleverancier. David, die het bedrijf van zijn vader in 1626 had overgenomen, vervaardigde de wandtapijten ter gelegenheid van het bezoek aan Gouda in 1642 van Henriëtta Maria van Frankrijk, de vrouw van koning Karel I van Engeland, met haar dochter Maria Stuart en haar schoonzoon Willem van Oranje, de latere stadhouder Willem II. De tapijten van Ruffelaer vervingen de oude tapijten, die gemaakt waren naar een ontwerp van de Goudse glazenier Dirk Crabeth. De wandtapijten zijn van 1948 tot 1952 grondig gerestaureerd in het restauratieatelier van het Rijksmuseum onder leiding van H.S. Bloedhouwer.

Klokkenspel

Het klokkenspel naast de kaak aan de oostelijke zijkant van het Stadhuis dateert uit de jaren zestig en is geschonken door directeur Bouwmeester van de Goudse Verzekeringsmaatschappij. Het verbeeldt kwartiersgewijs een optocht van graaf Floris V met z’n gevolg, met scherpe klank begeleid door een carillon. Het geheel wordt in de volksmond ‘het klokkenspel van Bouwmeester’ of ook wel ‘de Bouwmeesterrevue’ genoemd.

Replica’s

Een miniatuur van het Goudse Stadhuis staat in Madurodam in Den Haag. In het Japanse themapark Huis ten Bosch, waar tal van bekende Nederlandse bouwwerken zijn nagemaakt, bevindt zich een replica op ware grootte.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *